Door de dubbele ‘ee’ spreekt en klinkt de familienaam Eelen voor zich.

De naamsvariant Elen wordt daarentegen vaak als ‘Ellen’ uitgesproken, hoewel er slechts één ‘l’ staat. Dat is raar, want het werkwoord ‘spelen’ wordt ook niet uitgesproken als ‘spellen’, ‘bestelen’ als ‘bestellen’, of ‘vervelen’ als ‘vervellen’.

Elen is de familienaam die veruit het meest in Nederlandse woorden (werkwoorden, zelfstandige of bijvoeglijke naamwoorden) voorkomt, met de juiste klank of zonder:

A
aandelen : aarzelen : afspelen : aftroggelen : amandelen : appelen : apostelen : artikelen

B
babbelen : bedelen : bedelen : bedisselen : beitelen : beknibbelen : bekonkelen : bemiddelen : benadelen : benevelen : beoordelen : bespelen : bespiegelen : besprenkelen : bestelen : betegelen : betuttelen : bevelen : bevoordelen : biggelen : bikkelen : boemelen : bordelen : borrelen : borstelen : breidelen : buffelen : buitelen : bungelen : burelen

C
criminelen

D
delen : diggelen : dommelen : dreutelen : dribbelen : duimelen : duizelen

E
edelen : engelenenkelen

F
fabelen : fluwelen : foezelen : fonkelen : freubelen : friemelen

G
geselen : gijzelen : goochelen : googelen : gorgelen : griezelen

H
handelen : Hamelen : hemelen : hoepelen

I
intellectuelen

J
jodelen : jubelen

K
kachelen : kakelen : kamelen : kantelen : kantelen ; kapittelen : kastelen : keutelen : kietelen : knabbelen : knevelen : knuffelen : knuppelen : kruimelen : kukelen : kwakkelen : kwebbelen : kwelen : kwispelen

L
lepelen : levensmiddelen : lummelen

M
maatregelen : mangelen : martelen : mazelen : mazzelen : Mechelenmeubelen : middelen : morrelen : murmelen

N
nadelen : neuzelen : notabelen

O
onderdelen : onderhandelen : onderverdelen : onnozelen : ophoepelen : oprakelen

P
parentelen : penselen : perikelen : peuzelen : piemelen : piepelen : pinkelen : prevelen : priegelen : prikkelen : pruttelen

Q
querelen

R
rammelen : regelen : rijmelen : rinkelen : ritselen : rituelen : rochelen : roddelen : rommelen

S
sabbelen : sappelen : schakelen : sjoemelen : sleutelen : smikkelen : smoezelen : smokkelen : snoezelen : snorkelen : spartelen : spelen : spiegelen : spijbelen : spirituelen : spoelen : sprenkelen : sprokkelen : stamelen : stelen : strelen : stribbelen : stuntelen : swaffelen

T
taferelen : takelen : telen : tippelen : toebedelen : tokkelen : trappelen : treuzelen : tuimelen

U
uitdelen

V
verdelen : vergelen : verhaspelen : verkneukelen : verkwanselen : vernevelen : vernikkelen : vertroebelen  : vertroetelen : vervelen : verwisselen : verzamelen : voordelen : vriemelen

W
wandelen : wisselen : worstelen : wortelen

Z
zemelen : zwijmelen

 

Mocht u er nog meer weten, geef die dan alstublieft even door!