Hoe en in welk jaar Daniel Eelen (1785-1812) in Gorinchem terecht is gekomen, is niet helemaal duidelijk. Hij is er voor het eerst gedocumenteerd op 26 april 1807 bij zijn huwelijk met Elisabeth Nieuwenhuizen (1788-1867). Hij was toen 21 jaar oud, zij pas 18. De inschrijving in het register is beknopt: hij staat enkel vermeld als ‘Daniel Elen, jongman, geboren te Antwerpen’, zonder de namen van zijn ouders en zijn beroep. Toen in 1980 voor het eerst genealogisch onderzoek werd gedaan, liep dit aanvankelijk vast omdat in de archieven van de stad Antwerpen zijn geboorte niet gevonden kon worden. Uiteindelijk bleek dat hij op 8 juli 1785 geboren was te Brecht, ten noordoosten van de Scheldestad. Ook was al duidelijk geworden dat het nabijgelegen dorp Rijkevorsel vanaf circa 1650 de bakermat vormde van de familie Eelen en het iets zuidelijker gelegen buurdorp Vlimmeren dat van de waarschijnlijk verwante familie Eelens.

Brecht ligt niet ver van Rijkevorsel in de Noorderkempen. Daniels van daar afkomstige vader Jacobus Eelen (1734-1796) woonde waarschijnlijk halverwege in het gehucht Sint Lenaerts. Deze trouwde tweemaal (in 1766 en 1772) en had uit beide huwelijken bij elkaar tien kinderen, waarvan Daniel de jongste was. Daniels oudere broer Petrus Franciscus Eelen (1773-na 1810) en zus Teresia Eelen (1782-1854) zijn waarschijnlijk de ‘Petrus et Teresia Eelen ex Rijkevorsel’ die aanwezig waren als getuigen bij de doop van Daniels zoon Jacobus in Gorinchem op 8 december 1810. Daarvoor moeten zij een reis van zeker twee dagen naar het noorden hebben gemaakt, over de route Hoogstraten-Breda-Geertruidenberg, langs de Biesbosch, en bij Woudrichem met het veer de Merwede zijn overgestoken.

Een jaar eerder, in januari 1809 maakte Gorinchem bange dagen door toen opkruiend ijs van de Merwede de borstweringen en dijken bedreigde en de kistingen op de Kortendijk en bovenaan de Hoogstraat bezweken, waardoor delen van de stad midden in de winter onder water kwamen te staan [zie afb.]. Arthur van Schendel beschrijft deze ramp aan het begin van zijn roman De waterman, die ook overigens een interessante sociaal-historische context biedt voor de familiegeschiedenis. Door eerdere dijkdoorbraken stroomopwaarts te Loenen en Lent aan de Waal bij Nijmegen was de hele Betuwe, en na het doorbreken van de Diefdijk bij Kedichem vervolgens ook de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden ten westen van de stad onder water komen te staan. De toestand was toen dermate ernstig dat Koning Lodewijk Napoleon in eigen persoon leiding kwam geven aan de reddingswerkzaamheden.

Waarschijnlijk is Daniel rond 1805, voor zijn 20ste, naar de Hollandse vestingstad Gorinchem getrokken, zijn heil zoekend in de Bataafse Republiek (1795-1806) vanwege de in 1798 door de Franse overheerser in Vlaanderen uitgevaardigde conscriptie, de verplichte loting voor 20-25 jarigen voor dienstplicht in het Franse leger. Mogelijk heeft hij al eerder, op zijn zeventiende, eigener beweging dienst genomen in het Bataafse leger want een Daniel Eelen staat zonder verdere gegevens geregistreerd [stamboeken] als soldaat (jager) van het achtste bataljon, zesde compagnie van de Koloniale Troepen die in 1802 door de Bataafse Republiek naar West-Indië werd uitgezonden, om twee jaar later dienst te nemen in het Engelse leger, maar dat zou ook zijn in 1764 geboren Rijkevorselse neef en naamgenoot kunnen zijn geweest. De uitzending naar West-Indië betrof de Nederlandse kolonie Essequebo (nu Georgetown, Brits Guiana), die in 1802 door Engeland aan de Bataafse Republiek werd teruggegeven, maar een jaar later weer door hen terugveroverd, waarna vele overlevende Bataafse soldaten dienst namen bij de Engelsen. Mogelijk is deze Daniel Eelen al gauw weer teruggekeerd naar Europa.

Hoe onze Daniel Eelen zich in Gorinchem, dat tijdens het marionetten-Koninkrijk Holland (1806-1810) en daarna de Franse annexatie (1810-1814) een groot Frans garnizoen herbergde, afzijdig heeft weten te houden, is niet bekend. Hij zal tot het armlastigde ‘gepeupel’ behoord hebben en zijn aangekeken op zijn katholieke geloof in een overwegend gereformeerde stad (zie De waterman van Arthur van Schendel). 

Reeds op 26-jarige leef­tijd overleed Daniel Eelen op 22 februari 1812 in het Gasthuis aan de Haarstraat. De opgetekende doodsoorzaak ‘mortuus gerens ablatus’ betekent dat hij toen hij het ziekenhuis werd bnnengedragen de geest heeft gegeven. Zijn schoonvader Willem Nieuwenhuizen deed aangifte. Mogelijk is hij overleden aan complicaties van een aandoening waarvoor hij twee jaar eerder vier maanden – van 4 november 1807 tot 5 maart 1808 – was opgenomen in het Gasthuis aan de Haarstraat: ‘Ulcus Phagadanicum’, ook wel Ulcus Corrosivum, een kwaadaardige zweer (die overigens ook in de tropen zou kunnen zijn opgelopen, Ulcus Phagaedanicum Tropicum).

Daniel liet achter een 23-jarige weduwe, een vierjari­ge dochter Tonia Johanna en een eenjarige zoon Jacobus, vernoemd naar zijn eigen reeds lang overleden vader. Waarschijnlijk woonden zij al bij haar ouders. Hen stonden nog verdere beproevingen te wachten, te beginnen in 1813 en 1814, toen het terugtrekkende Franse leger zich maandenlang in de strategisch gelegen vesting Gorinchem verschanste en een belegering door Pruisische en Russische troepen moest doorstaan. Gorinchem was de laatst bevrijde stad van Holland. Daniels weduwe, van beroep koekkraamster, hertrouwde op 14 juli 1814 met de 16 jaar oudere Godefridus van der Heijden (1772-1828), met wie zij geen kinderen kreeg. 

Zoon Jacobus (1810-1998), die zijn vader niet gekend heeft, is de eerste van wie wij ons een voorstelling kunnen maken door het signalement op zijn ‘certificaat van de nationale militie’ van 1835 (een van de huwelijkse bijlagen): hij was toen van beroep stoelenmaker (later in 1848 koekkramer, net als zijn moeder), lengte 1.64 m, bruin haar, blauwe ogen, en hij was de schrijfkunst niet machtig [zie afb.]. Koos heeft negen jaar dienstplicht vervuld, van 1829 tot 1838, en heeft als soldaat deelgenomen aan de Tiendaagse Veldtocht van 2 tot 12 augustus 1831. Zoals alle oud-strijders kreeg hij daarvoor het Metalen Kruis. In zijn overlijdensadvertentie in 1899 werd deze onderscheiding door zijn oudste dochter trots vermeld (zie afb.). Hijzelf noch zijn familieleden zullen zich hebben gerealiseerd dat hij in 1831 als vijandig soldaat heeft gevochten in de streek waar zijn vader en diens voorouders vandaan kwamen.

Zijn twee jaar oudere zus Tonia Johanna (1808-1889), die als marketentster ook aan de Tiendaagse Veldtocht had deelgenomen en daarvoor eveneens het Metalen Kruis had gekregen (zie afb. hiernaast), had zes kinderen van de in Gorinchem gelegerde Zwitserse militair, later kleermaker, Joseph Matthias Luthart (1800-1882), waarvan de oudste twee door hun huwelijk in 1830 werden gewettigd. De tweede zoon was vernoemd naar haar jong overleden vader Daniel Eelen. De jongste dochter Elisabeth Luthart (geb. 1844) trouwde later de uit Maastricht afkomstige Christiaan van Golden (geb. 1843). Zij vernoemden hun tweede zoon (geb. 1875) naar haar broer (en grootvader). Diens kleinzoon was de Rotterdamse pop-art kunstenaar Daniel van Golden (1937-2017). De naam Daniel werd ook door Tonia’s broer Jacobus doorgegeven in de familie Eelen, uiteraard aan zijn eerste zoon.

Jacobus Eelen was de laatste katholiek, maar voor zover bekend niet praktiserend. Hij trouwde in 1835 met de Nederlands-Hervormde arbeidersdochter Elisabeth de Vael (1817-1897), geboren in Schoonrewoerd en wonend te Lexmond. Op dat moment vervulde hij zijn dienstplicht bij de infanterie in Breda en kreeg dispensatie voor het huwelijk. Zij kregen samen 13 kinderen, waarvan er zeven jong overleden, de meeste binnen een paar maanden na de geboorte, hetgeen toen niet ongewoon was. Van de zes volwassen geworden kinderen waren er vijf zoons, van wie er drie de familienaam hebben doorgegeven. Hun beroepen waren ambachtelijke: winkelknecht-koekbakker-suikerwerker (Daniel Elen), boerenarbeider-moutersknecht (Willem Antonie Elen) en timmerman-pakhuisknecht-voerman (Jacobus Eelen), alle drie wonende in Gorinchem.

In de trouwakte van 1807 was Daniel Eelen abusievelijk als Daniel Elen vermeld, hetgeen waarschijnlijk kwam omdat de ambtenaar wist hoe de naam van de plaatselijke huisarts en gemeenteraadslid Johannes Cornelis Elen geschreven werd (zie tabblad Boerenkrijg). Zijn zoon Jacobus (1810) werd gedoopt met zijn correct gespelde naam Eelen, maar dochter Tonia Johanna (1808) als Elen. Bij de inschrijving in het geboorteregister van twee van Daniels kleinzoons, Daniel in 1837 en Willem Antonie in 1848, werd weer een ‘e’ weggelaten (Elen); bij een andere, Gerrit in 1844, zowel een ‘e’ als de ‘n’ (Ele), terwijl twee andere kleinzoons, Aalbert Jacobus (1840) en Jacobus (1850) correct werden ingeschreven. Hier toont zich dat Jacobus niet kon lezen of schrijven, zoals in het genoemde certificaat van 1835 vermeld staat [afb.] en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de familienaam fonetisch noteerde in de geboorteaktes, zonder de geboorte- en huwelijksaktes van de ouders te controleren, met diverse schrijfwijzen tot gevolg. Het is dat kleinzoon Gerrit geen kinderen had, anders had er nu misschien ook een tak Ele geweest. Deze verschillende schrijfwijzen zien we ook in de handtekeningen onder de huwelijksakte van de jongste kleinzoon Jacobus Eelen in 1876, waar hij bijna ondertekent met J. Elen, maar halverwege de ‘l’ ophoudt en eerst nog de tweede ‘e’ schrijft: J. Eelen [zie afb.]. Zijn broer Willem Antonie ondertekent met W.A. Elen, zoals hij in de huwelijksakte wordt vermeld, conform zijn eigen geboorteakte. De andere broer Daniel (Daan) tekende verschillende aktes wisselend met Elen of Ele. We zien de spellingsvarianten ook in het krantenbericht van 25 december 1881 (hiernaast afgebeeld) waar broer en zus als respectievelijk ‘Ele’ en ‘Elen’ vermeld staan.

Het nageslacht is in de navolgende generaties vanuit Gorinchem uitgewaaierd over Nederland, nog steeds weinig talrijk, en nu geconcentreerd in de regio’s Den Haag-Leiden (tak A voortkomend uit Daniel Elen, 1837-1883), Vlaardingen-Schiedam (tak B voortkomend uit Willem Antonie Elen, 1848-1925) en Oost Nederland (tak C voortkomend uit Jacobus Eelen, 1850-1944). Sinds het overlijden van Pieternella Elen (1905-2002, tak A) zijn er geen naamdragers meer woonachtig in Gorinchem of omgeving. Elders op deze website staan biografieën van twee inmiddels overleden nazaten uit tak A: Albertus Elen en zijn zoon Jan Elen.

A.J. Elen, 1988
laatst bijgewerkt 18 december 2022

 

bronvermelding: bij gebruik van gegevens van deze webpagina graag verwijzen naar: www.elen.nl