Hoe Daniel Eelen (1785-1912) in Gorinchem terecht is gekomen, is niet helemaal duidelijk. Hij is er voor het eerst gedocumenteerd bij zijn huwelijk met Elisabeth Nieuwenhuizen (1788-1867) in 1807. De inschrijving in het register is beknopt: hij staat enkel vermeld als ‘Daniel Elen, jongman, geboren te Antwerpen’, zonder de namen van zijn ouders, en zonder vermelding van beroep. Toen in 1980 voor het eerst genealogisch onderzoek werd gedaan, liep dit aanvankelijk vast omdat in de archieven van de stad Antwerpen zijn geboorteplaats niet gevonden kon worden. Uiteindelijk bleek dat bedoeld werd ‘onder de rook van Antwerpen’ en dat hij in 1785 geboren was te Brecht. Inmiddels was al duidelijk geworden dat het dorp Rijkevorsel en het nabijgelegen gehucht Vlimmeren samen de bakermat vormden van de familie Eelen (de schrijfwijze in Vlimmeren was Eelens), waartoe Daniels vader Jacobus behoorde.

Brecht ligt niet ver van Rijkevorsel in de Noorderkempen. Daniels vader Jacobus Eelen (1734-1796) woonde waarschijnlijk halverwege in het gehucht Sint Lenaerts. Deze trouwde tweemaal (in 1766 en 1772) en had uit beide huwelijken bij elkaar tien kinderen, waarvan Daniel de jongste was. Daniels broer Petrus Franciscus Eelen (1773-na 1810) en zus Teresia Eelen (1782-1854) zijn waarschijnlijk de ‘Petrus et Teresia Eelen ex Rijkevorsel’ die aanwezig waren als getuigen bij de doop van Daniels zoon Jacobus in Gorinchem op 8 december 1810. Daarvoor moeten zij een reis van zeker twee dagen naar het noorden hebben gemaakt, over de route Hoogstraten-Breda-Geertruidenberg, langs de Biesbosch, en bij Woudrichem met het veer de Merwede zijn overgestoken.

Een jaar eerder, in januari 1809 maakte Gorinchem bange dagen door toen opkruiend ijs van de Merwede de borstweringen en dijken bedreigde en de kistingen op de Kortendijk en bovenaan de Hoogstraat bezweken, waardoor delen van de stad midden in de winter onder water kwamen te staan [zie afb.]. Door eerdere dijkdoorbraken te Loenen en Lent aan de Waal bij Nijmegen was de hele Betuwe, en na het doorbreken van de Diefdijk bij Kedichem vervolgens ook de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden ten westen van de stad onder water komen te staan. De toestand was toen dermate ernstig dat Koning Lodewijk Napoleon in eigen persoon leiding kwam geven aan de reddingswerkzaamheden.

Waarschijnlijk is Daniel in of voor 1807, op zijn 20ste of 21ste als vluchteling naar de noordelijke vestingstad Gorinchem getrokken, zijn heil zoekend in het noorden vanwege de Franse conscriptie. Hoe hij zich daar afzijdig heeft weten te houden, terwijl nota bene de Franse keizer Napoleon zelf op 5 oktober 1811 op doortocht naar Utrecht door Gorinchem trok, is niet bekend. Hij is niet oud geworden; reeds op 26-jarige leef­tijd overleed hij op 22 februari 1812 in het Gasthuis aan de Haarstraat (doodsoorzaak ‘mortuus gerens ablatus’, potjeslatijn, waarschijnlijk betekenend dat hij onderweg naar het ziekenhuis de geest heeft gegeven). Zijn schoonvader Willem Nieuwenhuizen deed aangifte. Daniel liet achter een 23 jaar jonge weduwe, een vierjari­ge dochter Tonia Johanna en een eenjarige zoon Jacobus, vernoemd naar zijn eigen vader. Hen stonden nog verdere beproevingen te wachten in 1813 en 1814, toen het terugtrekkende Franse leger zich maandenlang in de ves­tingstad verschanste. Gorinchem was de laatst bevrijde stad van Holland. Daniels weduwe, van beroep koekkraamster, hertrouwde met de 16 jaar oudere Gorcummer Gerardus van der Heijden (geb. 1772). 

Zoon Jacobus (1810-1998) is de eerste van wie wij ons een voorstelling kunnen maken door het signalement op zijn ‘certificaat van de nationale militie’ van 1835: hij was van beroep stoelenmaker (later in 1848 koekkramer, net als zijn moeder), lengte 1.64 m, bruin haar, blauwe ogen, en hij was de schrijfkunst niet machtig [zie afb.].

Zijn twee jaar oudere zus Tonia Johanna (1808-1889) had zes kinderen van de in Gorinchem gelegerde Zwitserse militair, later kleermaker, Matthias Luthart, waarvan de oudste twee door hun huwelijk in 1830 werden gewettigd. De tweede zoon was vernoemd naar haar jong overleden vader Daniel Eelen. De jongste dochter Elisabeth Luthart (geb. 1844) trouwde later de uit Maastricht afkomstige Christiaan van Golden (geb. 1843). Zij vernoemden hun tweede zoon (geboren in 1875) naar haar broer (en grootvader). Diens kleinzoon was de Rotterdamse pop-art kunstenaar Daniel van Golden (1937-2017). De naam Daniel werd ook door Tonia’s broer Jacobus doorgegeven in de familie Eelen, uiteraard aan zijn eerste zoon.

Jacobus Eelen was de laatste katholiek. Hij trouwde in 1835 met de Nederlands-Hervormde arbeidersdochter Elisabeth de Vael (1817-1897), geboren in Schoonrewoerd en wonend te Lexmond. Op dat moment vervulde hij zijn dienstplicht bij de infanterie in Breda en kreeg dispensatie voor het huwelijk. Zij kregen 13 kinderen, waarvan er zeven jong overleden, de meeste binnen een paar maanden na de geboorte, hetgeen toen niet ongewoon was. Van de zes volwassen geworden kinderen waren er vijf zoons, van wie er drie de familienaam hebben doorgegeven. Hun beroepen waren ambachtelijke: winkelknecht-koekbakker-suikerwerker (Daniel Elen), boerenarbeider-moutersknecht (Willem Antonie Elen) en timmerman-pakhuisknecht-voerman (Jacobus Eelen), alle drie wonende in Gorinchem.

In de trouwakte van 1807 was Daniel Eelen abusievelijk als Daniel Elen vermeld, hetgeen waarschijnlijk kwam omdat de ambtenaar wist hoe de naam van de plaatselijke huisarts en gemeenteraadslid Johannes Cornelis Elen geschreven werd (zie tabblad Boerenkrijg). Zijn zoon Jacobus (1810) werd gedoopt met zijn correct gespelde naam Eelen, maar dochter Tonia Johanna (1808) als Elen. Bij de inschrijving in het geboorteregister van twee van Daniels kleinzoons, Daniel in 1837 en Willem Antonie in 1848, werd weer een ‘e’ weggelaten (Elen); bij een andere, Gerrit in 1844, zowel een ‘e’ als de ‘n’ (Ele), terwijl twee andere kleinzoons, Aalbert Jacobus (1840) en Jacobus (1850) correct werden ingeschreven. Hier toont zich dat Jacobus niet kon lezen of schrijven, zoals in het genoemde certificaat van 1835 vermeld staat [afb.], en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de familienaam fonetisch noteerde op de geboorteaktes, zonder de geboorte- en huwelijksaktes van de ouders te controleren, met diverse schrijfwijzen tot gevolg. Het is dat kleinzoon Gerrit geen kinderen had, anders had er nu misschien ook een tak Ele geweest. Deze verschillende schrijfwijzen zien we ook in de handtekeningen onder de huwelijksakte van de jongste kleinzoon Jacobus Eelen in 1876, waar hij bijna ondertekent met J. Elen, maar halverwege de ‘l’ ophoudt en eerst nog de tweede ‘e’ schrijft: J. Eelen [zie afb.]. Zijn broer Willem Antonie ondertekent met W.A. Elen, zoals hij in de huwelijksakte wordt vermeld, conform zijn eigen geboorteakte. De andere broer Daniel (Daan) tekende verschillende aktes wisselend met Elen of Ele.

Het nageslacht is in de navolgende generaties vanuit Gorinchem uitgewaaierd over Nederland, nog steeds weinig talrijk, en nu geconcentreerd in de regio’s Den Haag-Leiden (tak A voortkomend uit Daniel Elen, 1837-83), Vlaardingen-Schiedam (tak B voortkomend uit Willem Antonie Elen, 1848-1925) en Oost Nederland (tak C voortkomend uit Jacobus Eelen, 1850-1944). Sinds het overlijden van Pieternella Elen (1905-2002, tak A) zijn er geen naamdragers meer woonachtig in Gorinchem of omgeving. Onder het tabblad ‘Enkele naamdragers’ staan biografieën van twee inmiddels overleden nazaten uit tak A.

A.J. Elen, 1988
laatst bijgewerkt 17 maart 2019
www.elen.nl